Ledverlichting

Het slecht of niet dimmen van ledverlichting kan meerdere oorzaken hebben. Een eerste voor de hand liggende oorzaak is dat de ledverlichting eenvoudigweg niet dimbaar is. Dimbare ledverlichting is vaak te herkennen aan een logo dat aangeeft of de lamp dimbaar is of niet. Is een logo afwezig, dan is de lamp hoogstwaarschijnlijk niet dimbaar. Niet dimbare ledverlichting proberen te dimmen leidt vaak tot knipperend licht.

Ook zijn niet alle dimbare ledlampen goed dimbaar. Helaas zijn er meerdere ledlampen op de markt die het predicaat dimbaar niet zouden mogen hebben. Het staat wel op de lampen aangegeven dat ze dimbaar zijn, maar ze zijn bijna onmogelijk probleemloos te dimmen, ook niet met aan- of afsnijding. Het vervangen van de lamp door een kwalitatieve variant kan het probleem al oplossen.

Problemen kunnen ook pas na enige tijd na de installatie optreden. Wanneer ledlampen prima functioneerden, maar van het ene op het andere moment ineens beginnen te knipperen, kan dit duiden op een defecte driver. Dit kan gebeuren door oververhitting, doordat bijvoorbeeld de maximale omgevingstemperatuur wordt overschreden, of gewoon een defect.

Veel ledverlichting werkt direct op 230 volt. Wanneer er niet sprake is van 230V maar van 12V, dan neemt de complexiteit van het dimmen toe. Bij dit type lampen is het gebruik van een juiste trafo van groot belang voor het dimmen. De halogeentrafo werkt bijvoorbeeld met een ballast van 30-500W. Wanneer de ledverlichting een minimaal vermogen heeft, lager dan 30W, dan zullen de ledlampen niet op deze trafo werken. Een speciale dimbare ledtrafo is nodig. Deze trafo’s hebben vaak een minimaal vermogen van 0W tot bijvoorbeeld 10, 20, 30 of 40W. Er zijn vaak ook compatibiliteitslijsten beschikbaar die aangeven welke transformatoren met welke dimmers en lampen goed functioneren.

Het is niet bevorderlijk voor de leddimmer om verschillende ballasten, een combinatie van gloeilampen, halogeenlampen en ledlampen, door elkaar heen te gebruiken. Het is aan te bevelen om één type ballast op een dimmer aan te sluiten en dit niet te combineren met andere types. Het beste resultaat krijgt men wanneer het wattage en het fabricaat van de lampen ook hetzelfde is. Dan werken alle dimbare drivers op dezelfde manier wat leidt tot het beste dimresultaat. Verschillende drivers, lampen of wattages kunnen zorgen voor een scheef dimbeeld.

Driedraadsdimmers zijn veelal niet inzetbaar in de toepassing. Schakelaars hebben doorgaans een fase- (bruine) en schakel- (zwarte) draad. De blauwe nuldraad is in het plafond verwerkt en gaat rechtstreeks naar de verlichting toe. Er zijn veel dimmers op de markt die driedraads zijn, waarbij de installateur de nuldraad erop moet aansluiten om de dimmer werkend te krijgen. Dit vereist mogelijk extra handelingen van de installateur wanneer de draad niet aanwezig is in de wand. Het nalaten om de nuldraad aan te sluiten in een driedraadsdimmer, betekent echter dat de dimmer niet zal werken. Daarom is het aan te bevelen om vooraf goed na te denken over welke dimmer op welke verlichting wordt aangesloten.

Een nog vrij nieuw dimalternatief zijn smart systemen: Draadloze dimsystemen die gebruik maken van Zigbee of Bluetooth werken op een heel ander principe. Denk hierbij aan lampen en componenten die worden bediend met de stem, tablet of smartphone. Hierdoor zijn problemen met schakeldraden of elektronica die al dan niet compatibel zijn, niet langer aan de orde. De techniek staat momenteel nog in de kinderschoenen maar wint snel terrein.”

Regelmatig hebben eindgebruikers het idee dat verlichting tot nul procent kan worden gedimd, zoals met halogeenlampen mogelijk is. Of goed kan worden gedimd tot een laag percentage hangt van de combinatie van de ledlamp en de dimmer af. Er zijn vaak lijsten beschikbaar die met een kleurcode en met percentages aangeven wat het dimbereik is: dimmen van 5 – 95% (groen) of van 20-70% (geel).  Of één of meerdere lampen tegelijkertijd worden gedimd, speelt daarbij in principe geen rol.